Lichten voor voetgangers en fietsers
Ongeveer 2 minuten lezen
In dit hoofdstuk: Les 5 van 8 · 9 min
- Wie of wat gaat voor?
- De bevelen van een agent
- Rood, oranjegeel en groen
- Pijlen bij de lichten
- Lichten voor voetgangers en fietsers
- Knipperlichten
- Lichten boven de rijstroken
- De overweg

Lichten met een figuurtje gelden alleen voor wie het figuurtje toont. Als automobilist volg je ze niet.
| Figuurtje | Geldt voor |
|---|---|
| Voetganger | voetgangers |
| Fiets | fietsers en tweewielige bromfietsen |
| Fiets en voetganger | voetgangers, fietsers en bromfietsers die op het fietspad mogen |
Deze lichten hebben twee kleuren: rood boven, met een figuurtje dat stilstaat, en groen onder, met een figuurtje dat loopt. Knippert het groen, dan is de groene fase bijna voorbij. Staan er pijltjes rond het figuurtje, dan mogen ze het kruispunt in alle richtingen oversteken, ook schuin: al het andere verkeer heeft dan rood.
Twee borden onder het verkeerslicht laten fietsers en speed pedelecs door rood of oranjegeel rijden: het ene rechtsaf, het andere rechtdoor. Ze verlenen dan voorrang aan iedereen, ook aan voetgangers. Een oranjegeel knipperlicht met een fiets en een pijl doet hetzelfde voor fietsers en tweewielige bromfietsen, in de richting van de pijl.
Bij een opstelvak liggen twee stopstrepen achter elkaar, met een witte fiets in het vak ertussen. Bij oranjegeel of rood stop jij aan de eerste streep. Fietsers en tweewielige bromfietsen mogen tijdens rood doorrijden tot de tweede, zodat ze bij groen vóór je motorkap vertrekken.
Oefenen komt eraan
We werken aan een oefenapp.