Voorrang verlenen
Voorrang verlenen betekent dat je pas verder rijdt als dat kan zonder gevaar voor een ongeval. Het is niet hetzelfde als stoppen, behalve aan het stopbord B5.
De wegcode zegt waaraan je dat afmeet: de plaats van de andere weggebruikers, hun snelheid en hun afstand. Nadert er niemand, dan mag je gewoon doorrijden. Je moet wel zo naderen dat je kunt stoppen: vertragen en kijken, niet hopen dat het meevalt.
Twee borden vragen het uitdrukkelijk:
- B1, de omgekeerde witte driehoek met rode rand: voorrang verlenen aan iedereen op de weg die je oprijdt. Stoppen hoeft niet als er niemand komt.
- B5, het achthoekige stopbord: eerst volledig stilstaan, ook als er niemand aankomt, en daarna voorrang verlenen. Je stopt aan de stopstreep, een witte doorlopende streep dwars over de rijstrook, of als die er niet is, waar je het dwarsverkeer kunt overzien.
Verder terug langs de weg kondigt B3 het bord B1 aan, en B7 het bord B5.
Op het examen
“Voorrang verlenen” en “stoppen” worden bewust door elkaar gehaald. Bij B1 rijd je door als het vrij is. Bij B5 sta je altijd even stil, ook om vier uur ‘s nachts op een leeg kruispunt.
Wie voorrang heeft, is trouwens niet vrijgesteld: elke bestuurder die een kruispunt oprijdt, moet dubbel voorzichtig zijn. “Ik had voorrang” is geen verdediging na een ongeval.
De borden erbij
Lees de volledige lessen
Hier staat wat het is. In de theorie staat wat je moet doen.
Oefenen komt eraan
We werken aan een oefenapp.