Grootlicht
Ook: grote lichten
Grootlicht is je verste verlichting vooraan. Je schakelt naar dimlicht voor tegenliggers, als je iemand volgt op minder dan 50 meter en op goed verlichte wegen.
Vooraan gebruik je dimlicht of grootlicht, en ze mogen ook tegelijk branden. Licht voeren moet tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en telkens als je niet duidelijk ziet tot op ongeveer 200 meter.
Het grootlicht moet vervangen worden door dimlicht in vier situaties:
- bij het naderen van een tegenligger, op tijd, en zeker zodra hij met zijn lichten knippert omdat je hem verblindt;
- bij het naderen van een spoorvoertuig of boot waarvan de bestuurder verblind kan worden;
- als je een ander voertuig volgt op minder dan 50 meter, behalve tijdens het inhalen;
- als de rijbaan onafgebroken en voldoende verlicht is, zodat je tot ongeveer 100 meter duidelijk ziet.
’s Nachts vervang je de claxon door kort en afwisselend groot- en dimlicht aan te steken, behalve bij dreigend gevaar.
Op het examen
Onthoud de uitzondering bij punt 3: tijdens het inhalen mag grootlicht dicht achter iemand, omdat je dan de weg vóór hem moet kunnen overzien.
Word je zelf verblind, kijk dan naar de rechterrand van de rijbaan en vertraag. Terugknipperen om een punt te maken is nooit het goede antwoord.
Lees de volledige lessen
Hier staat wat het is. In de theorie staat wat je moet doen.
Oefenen komt eraan
We werken aan een oefenapp.